|
PERSKAART
EN PERSVRIJHEID
[02/12/2008]
Er
bestaa nogal wat verwarring over de perskaart, niet in
het minst omdat er twee verschillende officiële zijn.
Onlangs nog jammerde hoofdredacteur Thomas Siffer van
Story nog in een opiniestuk in De Standaard dat hem een
perskaart werd geweigerd. Redenen genoeg om even de
puntjes op de i zetten, in dit geval de i van
informatierecht, informatieplicht en persvrijheid.
Zelf doceerde
ik nog ooit deontologie (beroepsethiek) van de pers en
ook vandaag ben ik nog betrokken bij internationaal
overleg en studies terzake. Ik weet dat Thomas Siffer
zijn perskaart niet aanvroeg via de VJPP maar via de
Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten maar wij
werken binnen dezelfde deontologische en wettelijke
context. Collega Siffer weigert zijn inkomen bekend te
maken aan de erkenningscommissie en krijgt daardoor geen
perskaart. We willen hier terzake niet aan polemiek
doen. Daarvoor is dit naar onze mening niet de juiste
plaats. Dit is wel de juiste plaats om duidelijkheid te
scheppen over de persvrijheid, het recht op informatie,
de informatieplicht, de deontologie van de pers, hoe dat
in ons land wordt geregeld en wat de perskaart daarmee
te maken heeft.
Persvrijheid is niet alleen aan de orde in dictaturen of
andere staten waar journalisten opgesloten, vermoord,
bedreigd of op andere manieren gemuilkorfd worden. Ook
in landen die als pioniers de vrijheid van meningsuiting
en de persvrijheid in hun grondwet schreven, zoals
België en de VSA, is waakzaamheid geboden. Een
journalist moet onafhankelijk kunnen berichten,
onafhankelijk van eender welke politieke of commerciële
belangen, onafhankelijk dus ook van de commerciële
belangen van het medium waarvoor hij werkt, en die zijn
vaak niet gering.
Laten we in de eerste plaats duidelijk stellen dat de
deontologie van de pers voortspruit uit de essentie van
de democratie zelf, meer bepaald uit één van de pijlers
ervan, de vrijheid van meningsuiting. Daarmee is de
persvrijheid onverbrekelijk verbonden en meteen het
informatierecht van de burger en dus de informatieplicht
(actief informatierecht) door de overheid en al degenen
die maatschappelijk relevante verantwoordelijkheid
dragen, vanzelfsprekend dus ook de pers. De journalist
staat ten dienste van het informatierecht en niemand mag
dat recht beknotten.
Daartegenover
staan dus ook plichten van de journalist, vervat in
zijn/haar deontologie of beroepsethiek. De journalist
draagt inzake informatieplicht een zware
verantwoordelijkheid en hij of zij kan of mag zich dan
ook niets in de weg laten leggen om zijn of haar
maatschappelijke plicht ten dienste van het
informatierecht te vervullen m.a.w. zijn of haar eigen
deontologie na te leven. Dit is een grondwettelijk recht
en een even grondwettelijke plicht. Het is een in
talloze internationale conventies erkende vertaling van
de vrijheid van meningsuiting. Als we welke inbreuk
daarop dan ook aanvaarden spelen we dus niet alleen met
de essentie van de persvrijheid en de journalistieke
deontologie maar ook met het democratisch
informatierecht.
In België is de erkenning van journalisten wettelijk
geregeld en is een officiële perskaart een instrument
dat bedoeld is om de journalist te helpen zijn opdracht
inzake informatieplicht uit te oefenen. Ook zijn recht
om in bepaalde gevallen zijn informatiebronnen geheim te
houden is zo’n instrument. De zogenaamde financiële
voordelen, aan de perskaart verbonden zijn beperkt, en
volledig in functie van de uitoefening van de
informatietaak. De perskaart wordt uitgereikt door het
Ministerie van Binnenlandse Zaken op voordracht van een
erkenningscommissie van de Algemene Vereniging van
Beroepsjournalisten en de Vereniging van Journalisten
van de Periodieke Pers.
Die
erkenningscommissie bestaat uit door de
leden-journalisten rechtstreeks of onrechtstreeks
verkozen collega’s en niet uit concurrenten, zoals
Thomas Siffer ze noemt. De voorwaarden tot erkenning
spruiten uiteraard voort uit de deontologie van de pers.
Eén van die voorwaarden is dat de journalist zijn/haar
inkomen hoofdzakelijk uit zijn beroepsactiviteiten als
journalist realiseert. Daarnaast mag hij/zij geen
activiteiten uitoefenen die onverenigbaar zijn met die
taak, m.a.w. geen activiteiten die de persvrijheid of
het recht op informatie in het gedrang brengen (politiek
en politiek advies of propaganda, publiciteit, PR,
mediamanagement en dergelijke). Een wet of voorschrift
terzake moet expliciet zijn en dat blijft onvolkomen.
Dit is echter geen reden om de ganse wetgeving af te
schaffen, integendeel, we moeten ze altijd trachten te
verbeteren. Intussen is de regel gelijk voor iedereen en
moeten vooral journalisten het recht op informatie met
alle middelen verdedigen.
Jef Verhaeren
Lid van de raad van bestuur van de VJPP
|